»Home
 »Links
 »Reacties

 »Studiehandleiding
 »Hoofdstuk 1
 »Hoofdstuk 2
 »Hoofdstuk 3
 »Hoofdstuk 4
 »Hoofdstuk 5
 »Hoofdstuk 6
 »Hoofdstuk 7
 »Hoofdstuk 8
 »Hoofdstuk 9
 »Hoofdstuk 10
 »Hoofdstuk 11
 »Hoofdstuk 12




Hoofdstuk 9


Hoofdstuk 9
9.1. Boekbegripsvragen
Niveau 1.
9.1.1. De auteur schrijft: in een samenwerkingsmodel is de faaltolerantie relatief hoog, mits iemands loyaliteit evident is.
Ga na hoe het met de faaltolerantie in de andere culturen is gesteld (wanner hoog en wanner laag) en waarom die in een samenwerkingscultuur doorgaans hoog is.
9.1.2. "Zonder vrijheid geen verantwoordelijkheid en zonder verantwoordelijkheid geen vrijheid". Leg aan de hand van de paragraaf over verantwoordelijkheid uit, wat hiermee bedoeld wordt.
9.1.3. Leg in eigen woorden uit waarom het vermogen tot zelfkritiek een noodzakelijke voorwaarde is voor betrouwbaarheid.
9.1.4. Kwaliteit, zo wordt betoogd, is niet slechts een kwestie van expertise en doelmatigheid, maar ook van moed. Probeer dit in eigen woorden uit te leggen.
9.1.5. Inclusiviteit kan een 'waarde' worden genoemd en zoals alle waarden dient ook inclusiviteit in normen en regels te worden geconcretiseerd. Neem een gedragscode en onderzoek welke regels bedoeld zijn om inclusiviteit te bevorderen of waarborgen.
Niveau 2
9.1.5. In het boek wordt het begrip inclusiviteit uitvoerig besproken en omschreven. Hier en daar wordt het begrip ook geconcretiseerd. Probeer een 5-tal concrete indicatoren voor het begrip inclusiviteit te bedenken.
9.2. Studievragen
Niveau 1.
9.2.1. Denk verder na over het begrip 'ontological insecurity'(bestaans onzekerheid). Probeer onder woorden te brengen wat het verband is tussen bestaanszekerheid en inclusiviteit. 9.2.2. Wat kan een organisatie doen om onzekerheid bij medewerkers te vergroten en wat kan een organisatie doen om die te verkleinen. Denk daarbij zowel aan de organisatiestructuur, de organisatiecultuur en de organisatieleiding.

Niveau 2
De 'finale methode' of 'doelboom methode' van Kuypers (zie zijn Beginselen van Beleidsanalyse) zou bevorderlijk zijn voor openheid, verantwoordelijkheid en kwaliteit. Bestudeer deze methode nader en leg aan de hand van een beleidscasus met doelboom uit waarom dit zo is en waarom deze methode eveneens bevorderlijk zou kunnen zijn voor betrouwbaarheid en inclusiviteit.

9.3. Reflectievragen
Niveau 1.
9.3.1. Vertrouwen lokt vertrouwen uit, zo wordt in het boek gesteld. Illustreer aan de hand van eigen ervaring hoe dit uitlokken werkt in persoonlijke relaties en aan de hand van een casus binnen een organisatiestructuur. Tegelijkertijd is in een organisatie controle nodig, zo wordt gesteld. Hoe kan worden voorkomen dat controle en sanctiebeleid het wederzijdse vertrouwen ondermijnen?
Niveau 2
9.3.2. De conclusie van de paragraaf over kwaliteit luidt: "Kwaliteit... als de creatieve kracht die een opbouwende en samenvoegende, integrerende ontwikkeling mogelijk maakt, die de desintegratie tussen mensen onderling of tussen mens en natuur alsook de desintegratie binnen onszelf tegengaat..." Probeer deze conclusie in eigen woorden uit te werken.


9.4. Praktijkvragen
Niveau 1. 9.4.1. Betrouwbaarheid van een organisatie wordt in verband gebracht met het vermogen tot correctie. Zoek naar een casus uit de praktijk van het openbaar bestuur waaruit dit verband blijkt.
9.4.2. Neem een gedragscode van een bestuurlijke organisatie en onderwerp deze aan een kritisch onderzoek en ga na hoe, in het licht van dit hoofdstuk en met name de paragraaf over inclusiviteit, deze code kan worden verbeterd/uitgebreid

Niveau 2
9.4.2. Pak de draad van 9.3.2. op en bedenk een casus die deze conclusie illustreert. Verbindt aan deze casus enkele aanbevelingen voor de praktijk van kwaliteitsverbetering.


9.5. Analysevragen
9.5.1. Identificeer elementen van de 4 besproken organisatieculturen in je eigen organisatie en onderzoek in hoeverre zij openheid in de weg staan, of bevorderen. Ga ook na welke de effecten ervan zijn op
  • Verantwoordelijkheid
  • Betrouwbaarheid
  • Kwaliteit
  • Inclusiviteit


9.5.2. In het boek wordt gesteld dat in het kader van betrouwbaarheid 'grensbewaking' belangrijk is. Grensbewaking houdt in:
  • zorgvuldige selectie van medewerkers; zeker geen selectie op afstand;
  • zicht op netwerken die medewerkers met zich meebrengen; netwerken bespreken;
  • grondige screening van bedrijven waarmee contracten worden aangegaan; en meedelen dat dit gebeurt;
  • grondige monitoring van bedrijven waarmee contracten zijn gesloten; en aan resultaten monitoring consequenties kunnen verbinden (contractueel vast te leggen(;
  • zorgvuldige selectie van externe adviseurs; Zonder vriendjespolitiek en alleen wanneer noodzakelijk;
  • kritisch omgaan met informatie die van buiten komt; en informatie altijd checken.

Ga na hoe goed of slecht grensbewaking in jouw organisatie functioneert.
9.6. Toepassingsvragen
9.6.1. Trek enkele praktische conclusies uit 9.5.1.
9.6.2. Idem uit 9.5.2.
9.6.3. Moreel bewustzijn is geen vanzelfsprekendheid. De ontwikkeling ervan gaat ons hele leven door. (zie de paragraaf over Kohlberg) Wat kan een organisatie doen om moreel bewustzijn te bevorderen.

Eigen vragen:
  1. Zelf te bentwoorden
  2. Te bespreken in werkgroep of met docent
  3. Voor te leggen aan auteur