|
|
Hoofdstuk 1Hoofdstuk 1 1.1. Boekbegripsvragen Niveau 1. 1.1.1. Welke zijn de belangrijkste begrippen (sleutelbegrippen) in dit hoofdstuk? Probeer ze in eigen woorden te omschrijven. 1.1.2. Ga na welke indicatoren in dit boek worden genoemd voor het juiste gebruik van publieke functies door ambtenaren en bestuurders.
1.1.3. Formuleer in eigen woorden wat volgens de auteur het verband is tussen sociaal-precaire situaties, macht en desintegriteit. Kijk daarbij vooral ook naar het begrip 'disfunctionele macht'. 1.1.4. Dit eerste hoofdstuk doorlezend en nadenkend over alle vragen die de auteur ten aanzien van integriteit stelt, wat denk jij dat de hoofdvraag van de auteur is? Niveau 2 1.1.5. Leg in eigen woorden uit wat de auteur bedoelt met: 'zonder integriteit functioneert geen enkele organisatie naar behoren, laat staan optimaal'. 1.1.6. Geef aan welke de typische kenmerken kunnen zijn van integriteitsproblemen voor de:
1.2. Studievragen Niveau 1. 1.2.1. Onderzoek met hulp van welke indicatoren de 'corruption perception index' tot stand komt. Niveau 2 1.2.2. De auteur noemt enkele kenmerken van een 'sterke overheid'. Welke? Ga zelf in de literatuur na welke andere kenmerken genoemd worden voor een 'sterke overheid'. 1.3. Reflectievragen Niveau 1. 1.3.1. De auteur stelt: "Zonder integriteit functioneert geen enkele organisatie naar behoren, laat staan optimaal". Welke argumenten geeft de auteur om deze stelling te ondersteunen? Voeg zelf 2 argumenten daaraan toe. Bedenk minimaal twee tegenargumenten. Weeg de voor en tegenargumenten tegen elkaar af en formuleer een eindconclusie. 1.3.2.. Geef in eigen woorden aan wat het verband is tussen openheid, verantwoordelijkheid, kwaliteit, betrouwbaarheid enerzijds en integriteit anderzijds. (inclusiviteit komt later aan de orde) Niveau 2 1.3.3. Kunnen objectieve criteria worden gegeven om te onderscheiden tussen functionele en disfunctionele, of positieve en negatieve macht? Zo ja, noem deze criteria. Zo nee, hoe zou dan onderscheid gemaakt kunnen worden? 1.3.4. Wat denk je dat 'men' in het algemeen verstaat onder het begrip 'integriteit'? Kun je verschillende algemeen voorkomende omschrijvingen onderscheiden? Zijn ze volgens jou onder een of enkele noemer(s) te brengen? Waarin onderscheidt zich de opvatting van de auteur? 1.4. Praktijkvragen Niveau 1. 1.4.1. Bedenk zelf een casus waarin sprake is van 'privatisering van het openbaar bestuur' en bedenk vervolgens hoe je in dit geval als leidinggevende zou kunnen optreden. Niveau 2 1.4.2. Stel het bestuur van een gemeente wil een beleid van 'social inclusion' ontwikkelen, met ondermeer de bedoeling het vertrouwen in het openbaar bestuur te verhogen. Kies zelf een gemeente als voorbeeld en ga na welke belangrijke activiteiten onderdeel van dat beleid voor die gemeente zouden kunnen zijn? En geef aan hoe dit beleid van de gemeente verband houdt met de integriteit van het openbaar bestuur. 1.5. Analysevragen 1.5.1. Beschrijf 2 typisch sociaal-precaire situaties in je werk, een waarbij volgens jou misbruik van macht wordt gemaakt en een waarbij volgens jou weinig of geen misbruik van macht wordt gemaakt. Analyseer voor beide situaties op welke manieren verschillende partijen in theorie misbruik van hun positie kunnen maken, en hoe zij dat doen. 1.5.2. Ga na hoe je zelf in een specifieke sociaal-precaire situatie met macht bent omgegaan. Kun je daaruit enkele conclusies trekken ten aanzien van je eigen gedragspatroon? Bespreek de kwestie met collega's. 1.5.3. Kun je enkele kenmerken van jouw organisatie noemen die erop wijzen dat het een 'sterke' organisatie is? Idem een 'zwakke' organisatie? Wat versta je zelf onder een sterke/zwakke organisatie? 1.6. Toepassingsvragen 1.6.1. Brainstorm over de vraag wat het belang voor jouw organisatie kan zijn van een analyse van sociaal-precaire situaties. 1.6.2. Brainstorm over de gevolgen van 'zwakte' van een organisatie en wat eraan gedaan kan worden om jouw organisatie te versterken. Eigen vragen:
|